Column Marco Visser februari 2020

 

De verbeelding aan de macht

Han G. Hoekstra (1906-1988) was journalist bij het Parool en kinderpoëzie- en kinderverhalenschrijver. Thuis zowel in de wereld van de feiten als in de wereld van de verbeelding. In 1946 verscheen ook de prachtige dichtbundel Panopticum van zijn hand. Daarin dit gedicht:

 

DE CEDER

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,

gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

Een binnenplaats, meesmuilt ge, sintels, schillen,

en schimmel die een blinde muur aanrandt,

er is geen boom, alleen een grauwe wand.

Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen,

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,

gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

 

Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille

stam in het herfstlicht staat, onaangerand,

niet te benaderen voor noodlots grillen,

geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.

 

Misschien klinkt er inderdaad wel iets door van het perspectief van het kind, dat Hoekstra vertrouwd was. Even is het alsof er een kind aan het woord is, teleurgesteld tegen een ouder die het spel niet mee wil spelen: ‘Je wílt het niet zien!’ Maar die zegt: ‘Er valt niets te zien. Jij hebt het over een tuin, maar er is enkel een binnenplaats waar geen zon komt. Een verschimmelde muur, een hoopje schillen en wat as en kolenresten in een hoek. Bovendien, een ceder gedijt hier helemaal niet, wat een onzin. Die hoort niet in dit klimaat, dat wordt niks.’ De dichter houdt vol en wijst naar buiten: ‘Maar kijk dan toch, de jonge stam in het warme licht.’ En dan: ‘...geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.’ De dichter verdedigt zijn droom, hij houdt vast aan wat de verbeelding vermag. Hij kijkt naar buiten: een grijze muur natuurlijk. Maar intussen ziet hij iets anders: Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.

Die ceder, hoe komt de dichter erop? Ik weet niet of Hoekstra daaraan gedacht heeft, maar ik ken de ceder uit de bijbelse literatuur. In de Psalmen wordt hij bezongen. Als koning Salomo de tempel bouwt, laat hij ladingen cederhout uit Libanon komen, omdat het het mooiste materiaal is. Ook zijn eigen paleis noemt hij niet voor niets: ‘Huize Libanonwoud’. De ceder is die majestueuze boom, die in de Hebreeuwse verhalen en liederen misschien wel iets representeert van de schepping, waarvan in Genesis 1 dag na dag gezegd wordt: tov, goed. Zéér goed. Die aarde onder de hemel, die heel is en af. Waar vogels een plaats vinden in de takken van de bomen, waar mensen terecht kunnen bij elkaar. Nee, niet de natuur op zichzelf, want die is mooi soms, maar onverschillig. Indrukwekkend, maar onherbergzaam en onbarmhartig. De wereld is niet goed, maar al te vaak zoals die binnenplaats: grauw, koud, hard, rommelig. Nu kun je dat accepteren, je kunt er een beetje verdrietig over zijn en je schouders erover ophalen: niets aan te doen. Of, je kunt de droom hooghouden, de verbeelding aan de macht laten, verder dan de feiten zien. Je kunt die ceder in je tuin planten en zeggen: Kijk dan toch! Tegen alles in en als het moet tegen de klippen op: ‘Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen...’ Je kunt blijven hopen op de goede schepping, dat is: een bevrijd bestaan. Droom die niet klein te krijgen is.