Column Rinse Reeling Brouwer maart 2021

 

Door Rinse Reeling Brouwer

Klimaatnoodtoestand

In het verkiezingsprogramma van GroenLinks staat het uitroepen van de klimaatnoodstand door Nederland opgenomen, naar voorbeelden elders in de wereld. Ruim een jaar geleden heb ik als partijlid in een gesprek met de programmacommissie over wat toen nog alleen een concept was gezegd: dit voorstel is óf een lege leus die louter een intentie uitdrukt (zoals indertijd gemeentes die zich ‘kernwapenvrij’ verklaarden, wat geen bom tegenhield), óf een uiterst serieuze zaak, die het gedeeltelijk opschorten van de rechtstaat mogelijk maakt. 

Inmiddels hebben we dergelijke opschortingen vanwege Covid19 ook meegemaakt, en de voorstellen die in het programma terecht kwamen zijn, ik vermoed naar dat voorbeeld, vooral procedureel van aard: een eigen minister voor klimaatbeleid en energietransitie met een klimaatraad die als een soort OMT wetenschappelijk advies uitbrengt over te nemen maatregelen. Ik vind dat laf: als je als politieke partij bereid bent grondrechten op te schorten, vanwege de urgentie van de klimaatverandering, moeten burgers (kiezers) weten wat dit concreet kan inhouden en wat hen dan straks mogelijk in het handelen niet meer vrij staat.

De staatsrechtgeleerde Carl Schmitt heeft in zijn Politische Theologie uit 1922 gezegd: de soeverein is degene die in naam van de wet de uitzonderingstoestand kan uitroepen, waarin bepalingen uit die wet buiten werking zijn gesteld, en deze soeverein is daarbij een geseculariseerde gestalte van de God van de scholastieke leer: Hij heeft in zijn schepping natuurwetten gelegd, in overeenstemming waarmee alle dingen verlopen, maar Hij blijft ook de Almachtige die, wanneer Hij dat wil, met wonderdaden zijn eigen wetten aan de kant kan zetten.

Op 28 februari 1933 zou Adolf Hitler zich, al een maand na zijn machtsovername, als vermeend Almachtige precies aan de voorstellen van Schmitt houden (Schmitt was toen ook NSDAP-lid), en een opschorting van artikelen van de grondwet van de republiek van Weimar afkondigen die de hele duur van het Derde Rijk geldig zou blijven. Walter Benjamin schreef naar aanleiding daarvan: onderdrukten weten al lang, dat de ‘uitzonderingstoestand’ waarin we leven, de regel is; ook onder het regime van de rechtstaat is er voor hen al wetteloosheid genoeg. Hij voegde eraan toe: we moeten tot een besef van de ‘werkelijke’ uitzonderingstoestand komen, en dat vraagt om een ander besef van geschiedenis (‘Over het begrip van de geschiedenis’, These VIII). Ik kan het me moeilijk anders voorstellen, dan dat hij met deze cryptische woorden doelde op de Messias, wonder aller wonderen, die, als buitenstaander van alle politieke en juridische systemen, iets volledig nieuws schept. Maar de komst van de Messias, als ‘werkelijke uitzonderingstoestand’, laat zich niet voorschrijven in een verkiezingsprogramma.