Column Dini Stavenga-van der Waals oktober 2021

 

De tachtig voorbij

Als je de tachtig voorbij bent, is het niet gek om eens te gaan nadenken over je uitvaart. Toch heb ikzelf, gezegend als ik ben met een goede gezondheid, dat denken nogal voor me uitgeschoven, maar als steeds vaker leeftijdgenoten wegvallen, is het dwaas de kop nog langer in het zand te steken.

Nu dus, peinzend over mijn einde, zingt voortdurend in mijn hoofd psalm 92. De zondagspsalm waarover Miskotte zo prachtig heeft geschreven onder andere in het boekje ‘In ruimte gezet’. Vooral met het zevende couplet van die psalm in de berijming van Willem Barnard heb ik een band. Dat komt misschien door die ceders van de Libanon, waaronder ik ooit, op reis in het Midden-Oosten en in hoge sanitaire nood verkerende, van die nood werd bevrijd. Maar het zou al te banaal zijn als dat het enige was. Nee, het punt voor mij is die spanning tussen hoogte en diepte: ‘Zoals de cederbomen hoog op de Libanon staan bij de levensbron de nederige vromen,’ herdichtte Willem Barnard en dat vind ik prachtig. Die vromen bij de levensbron… zijn dat niet de dapperen, die het hier op aarde wagen met Gods beloften en geboden? En wie durft en doet dat en wie houdt dat vol in zijn of haar persoonlijke keuzes?

Op mijn dagelijkse wandeling zag ik tussen soortgenoten, die lekker makkelijk uit de waterbak dronken, een koe die in al haar stramheid voorovergebogen stond naar de sloot om daaruit te drinken, het gat hoekig achteruit om het evenwicht te bewaren. ‘Laat haar maar uitkijken, dat ze niet voorover kiept,’ dacht ik. Zo staan in mijn verbeelding die dapperen bij de bron van Gods woord. Hachelijk en wiebelig, want de bodem is wankel en er waait in de wereld een koude en scherpe tegenwind. Eén zetje en je ligt tegen de vlakte. Een waagstuk is het om het in je leven bij die ene bron te houden. Liever eten en drinken we van minstens twee walletjes.

Maar dán die psalm: de aangevochten waaghalzen beneden bij de bron worden vergeleken met machtige ceders, die met hun kruin de hemel haast raken. Barnard versterkt het nog met een parallellisme: ‘die in Gods huis geplant zijn, zij bloeien in Gods licht als palmen opgericht.’ Geen denken aan, dat we ons leven, onze groei en bloei zelf in de hand hebben. Ruimte om te staan en licht om te gaan worden ons van Godswege geschonken als voorwaarde om het nu ook ‘goed te gaan dóen’.

Tenslotte die troostende zin aan het eind van het lied, van mijn leven: ‘hun lot zal in zijn hand zijn’. Het meervoud, dat van de gemeente, omvat mijn persoonlijk lot, dat zo heilzaam wordt gerelativeerd. Hoe het dan verder met mij persoonlijk afloopt… mijn ‘lot’? Dat zal oké zijn bij Hem die wij onze goede God mogen noemen.

Ja, deze zondagspsalm zet ik zeker op het lijstje voor bij mijn uitvaart… ooit.

Dini Stavenga-van der Waals

Was jeugdvicaris te Utrecht, studentenpredikant te Groningen, dorpsdominee in Engwierum, missionair toeruster in Friesland en is nu alweer jaren met pensioen.