Column Rinse Reeling Brouwer najaar 2015

De video’s die de wereld overgaan van lieden uit de zogenaamde Islamitische Staat die afgodsbeelden brengen het zogenaamde Bijbelse ‘beeldverbod’ in herinnering – en naar besef van het publiek niet bepaald in positieve zin.

In een tekst als die uit het boek Debharim (Deuteronomium, hoofdstuk 4, 12-20) gaat het bovenal om de beweeglijkheid van de bevrijding. Je hebt iets gehoord, je bent in beweging gebracht, en nu moet je niet gaan fixeren: je Bevrijder niet, elkaar niet, je omgeving niet. Geen Godsbeeld fixeren, geen beeld van man of vrouw, geen beeld van welk levend of overigens imponerend wezen ook, geen denkbeeld tenslotte, voegde Gregorios van Nyssa daar in zijn Leven van Mozes aan toe (speciaal voor theologen?)! In plaats daarvan dien je zelf tot afbeelding te worden precies van die Stem die zich niet fixeren laat, tot werkelijke dienst aan die Stem, aan het land en aan zijn bewoners.

In de geschiedenis van de christenheid is deze aanwijzing ten leven op twee momenten een explosieve rol gaan spelen. Het eerste moment was dat van het iconoclasme van de Byzantijnse keizers uit de achtste eeuw. Hun theologische documenten zijn niet bewaard, maar we kunnen vermoeden dat vooral hogere, platoniserende overwegingen bij hen een rol hebben gespeeld: het goddelijke is te hoog om in de wereld van de verschijning concreet te worden. Ook zullen politieke motieven hen hebben gedreven, namelijk het streven de macht van het monnikendom met zijn ikonendienst te breken. Die herinnering bevat al een nuttige waarschuwing voor overhaaste boventijdelijke conclusies: nu gelden de beeldenstormers als religieuze fanatici, toen juist de aanhangers van afbeeldingen. Toch hebben op het zevende concilie de laatsten de overhand gekregen, en daarmee het inzicht van hun grote woordvoerder Johannes van Damascus, dat sinds de Schepper zich in het stof heeft vertoond en het aanvaard heeft in het stof te wonen, zeker niet het stof als zodanig eer wordt toegebracht, maar wel die verschijning in het stof. Blijkbaar zag Johannes, die met het werk van Gregorios van Nyssa heel vertrouwd was, hierin geenszins een tegenstelling met de waarschuwing voor de fixering van enig beeld, zeker ook enig denkbeeld. Het zicht, het uitzicht op de verheerlijking in het stof houdt ons juist in beweging naar de dienst aan en op het land toe.

De theologen aan het hof van Karel de Grote hebben zich tegen de uitkomsten van het concilie gekeerd. Ook dat had bovenal politieke gronden, namelijk borstklopperij van de West- tegen de Oost-Romeinse keizer, en ze hadden makkelijk praten, want het westen kende rond 800 nog nauwelijks beelden – was het om de relieken gegaan, zo ongeveer de basis van de toenmalige economie, dan hadden ze wel anders gepiept. Zich daarvan niet bewust zou Calvijn zich juist op die Frankische documenten beroepen om zijn toepassing van het beeldverbod te onderbouwen. Dat wil niet zeggen dat hij zonder meer de beeldenstormers van zijn tijd verdedigde. Daar was hij weer te elitair voor: verwijdering van beelden uit de plaatsen van verering moest wel keurig onder overheidscontrole plaatsvinden. Maar het gevoelen deelde hij wel met het opstandige volk, het gevoel: we zijn belazerd, we hebben geloofd in iets wat ons niet de vrijheid en de verlossing bracht die ons werd voorgespiegeld. In zoverre blijken de verlichte opiniemakers van nu, die een beeldenstorm uitsluitend kunnen opvatten als barbarij in onderscheid van cultuur, zich er maar slecht van bewust te zijn dat zich in de 16e eeuw in zekere zin juist een voorvorm van hun eigen grondgevoel openbaarde.

Soms moet je uitbreken uit de vaste vormen die je zijn aangereikt, juist om tot nieuwe vrijheid en beschikbaarheid te komen. En – dat lijkt me cruciaal –: breken met gefixeerde beelden is altijd alleen iets dat je met hard werken aan jezelf kunt verrichten; het is eigenlijk niet iets wat je een ander kunt opleggen, want jij bent het die de ontvangen gave hebt gefixeerd. Het valt me daarbij op, hoe mild de genoemde Thora-tekst is: dat leger aan de hemel van zon, maan en sterren, ‘dat heeft de Heere aan al de volken onder hele hemel toebedeeld’ (vs. 19). Spreek voor jezelf, meen niet meteen te weten hoe het met die ander en zijn religie zit. In zoverre begrijp ik niet, waarom IS oude Assyrische godenbeelden vernietigt: vormen die dan een reële verleiding voor een hedendaagse moslim? Daarentegen lijken ze Romeinse beelden weer te sparen – er is veel dat ik niet begrijp. Hoe dan ook: onze culturele elites zou ik wel wat meer begrip toewensen voor het religieuze streven naar zelfreiniging, maar verder vind ik ook wel met de reformatoren, dat acties die uit dat streven voortvloeien maar beter onder controle van de overheid, of van het internationale recht kunnen worden geplaatst. Hoe weinig kans daar nu ook op lijkt te zijn.

Rinse Reeling Brouwer