In Memoriam Rochus Zuurmond

Rochus Zuurmond (1930-2020)

Met het overlijden van Rochus Zuurmond verliezen we een van de meest scherpzinnige theologen die ons land gekend heeft. Internationale faam verwierf hij door zijn wetenschappelijke werk aan de Ethiopische tekstversie van het Matteüsevangelie en zijn editie van de Ethiopische Markus. Maar in Nederland maakte Rochus Zuurmond naam als theoloog in hart en nieren. Eerst als predikant en bekend van zijn radiocommentaren, later als hoogleraar Bijbelse Theologie aan de Theologische Faculteit van de Universiteit van Amsterdam.

Als bèta-jongetje kwam hij al vroeg onder het gehoor van zijn latere leermeester K.H. Miskotte. Dat Miskotte bijvoorbeeld het atheïsme serieus nam als bondgenoot van de theologie, sloeg bij Zuurmond in als een bom. Het sloot aan bij een ervaring uit zijn vroegste jeugd toen hij in de winter van 1943 in de Voorburgse tram naar Den Haag een Duitse militair zag instappen die op de metalen koppel van zijn riem de woorden ‘Gott mit uns’ had staan. Vol verbijstering vertelde hij het ’s avonds aan zijn ouders. Dit kon toch niet waar zijn: God met deze vijanden? Toen zijn vader hem zei dat het hier om een andere God ging, werd de theoloog in Zuurmond geboren. “Het woordje ‘God’”, zo zegt Zuurmond ergens, “is het meest beduimelde woord uit onze taal. En als je begint met een algemeen idee van ‘God’ en dat vervolgens toepast bij het lezen van de bijbel, dan heb je de bijbelse teksten al gemist.” In het Oude Testament, aldus Zuurmond, gaat het niet over een God in het algemeen, maar over de NAAM, in de vertalingen weergegeven met HEERE, Heer of Here. Als in het Oude Testament staat dat de Héér God is, dan wordt de NAAM niet ondergebracht in de categorie ‘God’, maar wordt het begrip ‘God’ kritisch gedefinieerd vanuit de NAAM. In de theologie gaat het dan ook, volgens Zuurmond, altijd in de eerste plaats om de machtsvraag. Wie trekt er aan de touwtjes? Vooronderstellingen moeten expliciet gemaakt worden, want als je die niet expliciet maakt, gaan ze rondspoken. Dat zag hij bijvoorbeeld gebeuren bij de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004. Tal van niet expliciet gemaakte theologische vooronderstellingen werden bepalend voor een vertaling die Zuurmond onbetrouwbaar noemde omdat deze vertaling zich op geen enkele manier rekenschap gaf van de eigen specifieke woordwereld van zowel het Oude als het Nieuwe Testament.

Naast zijn publicaties over het Oude Testament mag zijn boek over de historische Jezus niet ongenoemd blijven. In Verleden tijd? toont Zuurmond aan dat wij historisch veel minder over Jezus weten dan traditioneel wordt aangenomen en dat het ook maar de vraag is of de historische Jezus wel de ‘echte’ Jezus is. Het bijzondere van het Nieuwe Testament is dat daar, aldus Zuurmond, wordt gesproken over ‘de Jezus van de schriften’ die, theologisch gezien, het uitgangspunt zou moeten zijn van een bijbelse reflectie over wie ‘God’ is. Dat is dan ook de betekenis van de zin ‘Jezus is de zoon van God’. Dit mag volgens Zuurmond nooit betrokken worden op de historische Jezus, maar alleen op de Jezus waarover wordt gesproken in de bijbelse teksten.

Tot aan zijn overlijden bleef Zuurmond een scherp denker en een helder schrijver. In zijn laatste jaren publiceerde hij in de bekende trits van ‘Geloof, gebod, gebed’ nog drie boeken die achtereenvolgens gaan over het Apostolicum, over het Onze Vader en over ‘God en de moraal’. In dat laatste boek maakt Zuurmond duidelijk dat het in de bijbel niet gaat om de vraag wat wel en niet mag. Het gebod is een geschenk, aldus Zuurmond. Het is een toezegging en sluit alle moralistische toepassingen uit. Hier is de Bevrijdergod aan het woord die zijn geknechte mensen een weg van vrijheid schenkt. Eentje die ons tot bevrijde mensen maakt.

Zuurmond was samen met Karel Deurloo en Nico Bakker na het overlijden van Frans Breukelman (1916-1993) het gezicht van wat men dan noemde ‘de Amsterdamse school’. Maar zijn theoloog-zijn beperkte zich niet tot een bepaald vakgebied of een bepaalde school. Zijn kennis van de kerkvaders, van de filosofie, de filologie en van de geschiedenis van de hermeneutiek maakte van hem een groot geleerde die wist waarover hij sprak. Een zelfstandig denker was hij, die zich in geen hokje liet opsluiten. En bovenal een mens met een hartstochtelijk rechtsvaardigheidsgevoel en uiterst beminnelijk voor de mensen om hem heen. Na de schok van het overlijden van zijn dochter Maria schreef hij: “Het ongehoorde Woord dat over ons wordt uitgeroepen, dát te horen, al is het maar in een verre echo, ja, soms het vermoeden al iets van de luister ervan te zien, dat maakt het leven de moeite waard. Zelfs in de jaren waarvan wij moeten zeggen: ‘Ik heb in hen geen behagen’.”

Dat zijn gedachtenis maar een storende luis in de pels van kerk en theologie zal blijven.

Ad van Nieuwpoort

Voorzitter van De Nieuwe Bijbelschool

Ad en Rochus